De Juiste Weergave Van De Hoofdletters Wordt Aan Gewerkt

Opmerking van de vertaler:

Hieronder volgt een vertaling overgezet uit

de koptische tekst. De hoofdletters zijn toegevoegd.

De nummering van de pagina’s en de regels is overgenomen uit het

handschrift. Wat ontbreekt staat tussen […] of wanneer de tekst

moeilijk leesbaar is, vind je dat ook tussen deze rechte haken.

(De bladen 1 – 6 ontbreken)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad 7

[…] de materie dus, zal ze gebroken worden of niet

De Verlosser zei: ‘Alle Natuur, alle boetseerwerk en alle

ordening zijn in en met elkaar

(5) en ze zullen weer tot op hun eigen wortel ontbinden, want de

Natuur van de materie ontbindt tot op de dingen die eigen zijn

aan haar Natuur alleen.

Hij die oren heeft om te horen, moge hij horen’.

(10) Petrus zei tot Hem: ‘Zoals U ons alle

 zaken hebt verteld, zeg ons dit andere, wat is de zonde van de wereld?’

De Verlosser zei: ‘Er is geen zonde, maar jullie zijn het die de

zonde doen,

(15) wanneer jullie de dingen doen die overeenkomen met de

natuur van het overspel, zich die men noemt:

de zonde. Daarom is de Goede gekomen in jullie midden tot wie eigen zijn aan alle

Natuur, om haar neer te zetten in haar wortel’.

(20) Verder voegde Hij eraan toe, Hij zei: ‘Daarom zijn jullie

ziek en sterven jullie, omdat[…]

(Blad 8)

[…] Hij die begrijpt

, moge hij begrijpen. [De materie heeft lijden

voortgebracht] dat geen voorbeeld heeft, omdat het gekomen is

uit een tegennatuur.

(5) Sindsdien is er verwarring in het gehele lichaam. Daarom

heb ik jullie gezegd: ‘Weest één van hart en weest zonder

menging

‘, omdat jullie immers één zijn ten opzichte van de

verschillende gedaanten van de Natuur.

(10) Hij die oren heeft om te horen, moge hij horen’.

Toen de Gelukkige deze dingen gezegd had, omhelsde Hij hen

allen, terwijl Hij zei: ‘Vrede zij met jullie. Mijn

vrede, breng

haar voor jullie voort.

(15) Zorg ervoor dat niemand jullie misleidt door te zeggen:’ Zie

hier!’ of ‘Zie daar!’,

want de Zoon des Mensen is in jullie binnenste.

(20) Volg Hem na. Zij die Hem zoeken, zullen Hem vinden. Ga

dus en verkondig het Evangelie van het Koninkrijk.

(Blad 9)

Stel geen enkele regel dan degene die ik heb gesteld voor jullie

en geef geen wet op de manier van de wetgever, opdat jullie er

niet door gevangen gehouden worden’.

(5) Nadat Hij deze dingen gezegd had, ging Hij weg. Maar zij,

bedroefd als ze waren, huilden erg, terwijl ze zeiden: ‘Hoe

zullen we naar de volken gaan en hoe zullen we verkondigen het

Evangelie van het Koninkrijk van de Zoon

(10) des Mensen? Als ze Hem niet hebben gespaard, hoe zullen

ze ons dan sparen’

Toen stond Maria op, ze omhelsde hen allen, ze zei tot haar

broeders:

(15) ‘Huil niet en wees niet bedroefd. En maak geen twee

harten, want zijn genade zal met jullie allen zijn en zal jullie

beschutten. Laten we liever zijn grootheid prijzen, omdat Hij

ons toebereid heeft,

(20) Hij heeft ons Mens gemaakt’.

Toen Maria deze dingen gezegd had, keerden ze hun hart naar

binnen, naar de Goede en ze begonnen te oefenen in de woorden van de [Verlosser].

(Blad 10)

Petrus zei tegen Maria: ‘Zuster, we weten, dat de Verlosser jou

meer liefhad dan de rest van de vrouwen. Zeg ons de woorden

van de Verlosser, die jij je herinnert,

(5) die dingen die jij weet en wij niet. Ook hebben we ze niet

gehoord’.

Maria antwoordde, ze zei: ‘Wat voor jullie verborgen is, zal ik

jullie vertellen’. en ze begon tot hen te zeggen deze woorden:

(10) Ik, zei ze, Ik zag de Heer in een visioen en ik zei tot Hem:

‘Heer ik zag U vandaag in een visioen’, Hij antwoordde, zei me:

‘Gezegend ben je, omdat je niet geschokt bent

(15) wanneer je Mij ziet. Want op de plaats waar het

kenvermogen (nous) is, daar is de schat’. Ik zei Hem:’Heer nu,

hij die het visioen ziet, ziet hij dat met de ziel(psyche) of met de

eerste (pneuma)?’ De Verlosser antwoordde, Hij zei:

(20) ‘Hij ziet niet met de ziel noch met de geest, maar met het

kenvermogen, dat [is] in het midden van die twee, dat is [het dat] het visioen ziet en dat is het […]

(De bladen 11 -14 ontbreken)

(Blad 15)

[…] hem en de Begeerte zei: ‘ Ik heb je niet gezien, toen je naar

de aarde onderweg was,

maar nu zie ik je, terwijl je onderweg bent naar de hemel.

Hoe kun je (me) bedriegen, terwijl je me toebehoort?’

(5) De ziel antwoordde, ze zei: ‘Ik heb jou gezien, jij hebt mij

niet gezien en je hebt me niet bemerkt. Ik was voor jou als

kleding en je hebt me niet herkend’. Toen ze deze dingen gezegd

had, ging ze luid jubelend weg.

(10) Opnieuw kwam ze bij de derde macht, die men de

Onwetendheid noemt. [Ze] ondervroeg de ziel, terwijl ze zei:

‘Waarheen ben je onderweg? Door slechtheid werd je gevangen

gehouden,(15) ja je werd gevangen gehouden. Oordeel niet.’ En de ziel zei:

‘Waarom oordeel je me, hoewel ik niet geoordeeld heb? Ik werd

gevangen gehouden, omdat ik niet gevangen gehouden heb.

(20) Ik werd niet erkend, maar ik heb erkend, dat het Al

ontbonden wordt, zowel de dingen van de aarde als de dingen

van de hemel.’ (Blad 16)

Toen de ziel de derde macht uitgeschakeld had, ging ze naar de

kant van de hemel en ze zag de vierde macht. Zij nam zeven

gestalten aan. (5) De eerste gestalte is de Duisternis, de tweede de Begeerte,

de derde de Onwetendheid, de vierde de Jaloezie van de Dood,

de vijfde het Koninkrijk van het Vlees, de zesde de Dwaze

Vleselijke Geleerdheid, de zevende de Driftige Wijsheid.

Deze zijn de zeven [machten] van de Woede, ze vragen de ziel:

(15) ‘Vanwaar ben je afkomstig, mensendoodster?’ of ‘Waarheen

ben je onderweg, jij die plaatsen uitschakelt?’ De ziel

antwoordde, ze zei: ‘Hij die mij gevangen houdt, werd doorstoken en hij die mij

omkeert werd uitgeschakeld.

(20) En mijn begeerte is voleindigd en de onwetendheid is

gestorven. Uit een wereld werd ik ontbonden door een wereld

(Blad 17)

en uit een model door een model, dat van de kant van de hemel

  1. En de keten van de vergetelheid is tijdelijk.

(5) Vanaf dit uur zal ik de rust ontvangen — ten tijde van het

beslissende moment in de aeon – in stilte.’ Toen Maria deze

dingen gezegd had, sloot ze haar mond, omdat de Verlosser tot

hiertoe met haar gesproken had.

(10) Andreas nu antwoordde, hij zei tot de broeders: ‘Zeg, wat

zeggen jullie over de dingen

 die zij gezegd heeft? Ik geloof

tenminste niet, dat de Verlosser deze dingen gezegd heeft.

(15) Want deze leringen volgen, als het ware, een andere

gedachtegang.’

Petrus antwoordde, hij zei over dit soort zaken, hij overlegde

over de Verlosser: ‘Hij heeft toch niet gesproken met een vrouw,

(20) verborgen voor ons en niet in het openbaar, opdat we

onszelf omkeren en allemaal naar haar luisteren? Heeft Hij haar

verkozen boven ons?’

(Blad 18)

Toen huilde Maria, ze zei tot Petrus: ‘Mijn broeder Petrus, wat

denk je dus?

Denk je dat ik, alleen, ze bedacht heb in mijn hart

(5) of dat ik de Verlosser bedrieg?’

Levi antwoordde, hij zei tot Petrus: ‘Petrus, sinds eeuwigheid

ben je driftig.

Ik zie je nu terwijl je redeneert tot de vrouw zoals die

tegenstanders.

(10) Als de Verlosser haar waardig heeft gemaakt, wie ben jij

zelf dan om haar te verwerpen? Ongetwijfeld, de Verlosser kent

haar grondig. Daarom heeft Hij haar meer liefgehad dan ons.

(15) Laten we ons liever schamen en ons kleden met de

volmaakte Mens. Laten we Hem voor ons voortbrengen, zoals

Hij ons heeft bevolen.

Laten we het Evangelie verkondigen zonder een andere regel te

Stellen (20) noch een andere wet dan die de Verlosser gezegd heeft.’

(Blad 19)

Nadat Levi nu deze dingen gezegd had, begonnen ze te gaan

 om te vertellen en te verkondigen.